Verhaal

Het zeemansgraf. Een tragedie in de Eerste Wereldoorlog

Auteur: 
Helmuth Rijnhart

Volgens het bevolkingsregister van Avereest, verlaat Tietia Koiter in 1915 haar man Matthijs van den Berg. Met haar 5-jarige zoon Koos trekt ze voorlopig in bij haar ouders. Volgens het register verhuist Matthijs in 1916 naar Amsterdam. In het bevolkingsregister van 1920 is Tietia Koiter vermeld als weduwe. Wat is er met Matthijs gebeurd? Een tragedie in de coulissen van de Eerste Wereldoorlog.


In Kroniek 2015-4 schreef ik over mevrouw de weduwe van den Berg, de echtgenote van de laatste commandant op de Ommerschans, en haar nakomelingen.

Na publicatie van dit artikel werd ik benaderd door Cor Brouwer en Mathilde Brouwer-van den Berg. Mathilde (geb. 1946) is de jongste dochter van Koos van den Berg en dus kleindochter van Matthijs. Zij brachten mij de informatie aan de hand waarvan ik verder gericht onderzoek kon uitvoeren. In januari 2016 hebben we in een gezamenlijk bezoek aan het Historisch Centrum Overijssel de puntjes op de i gezet en zo werd ons duidelijk hoe een Dedemsvaarter slachtoffer werd van het grote oorlogsgeweld, precies een eeuw eerder.

Matthijs van den Berg

Matthijs van den Berg komt op 23 november 1877 ter wereld te Hoogeveen, op het adres Schut, wijk B nr 266. Zijn ouders, Jacobus Johannes van den Berg en Frederika Wijkstra, beide geboren binnen de kolonie Ommerschans in ambtenaar-gezinnen, huwden in maart 1877, waarna ze zich te Hoogeveen vestigden. Matthijs’ vader is daar winkelier. Kort nadat op 9 januari 1880 hun tweede zoon, Jan, is geboren, verhuisde het gezin naar Dedemsvaart, waar ze aan Sluis VI een royaal woon/winkelhuis huren van de joodse slager en koopman Elias Denneboom.
Hier aan Sluis VI worden in het gezin nog 5 kinderen geboren, waarvan er twee jong overlijden. Jacobus Johannes van den Berg heeft een winkel en een tapperij. Dat zien we in 1890 als het pand geveild wordt. Huurbaas Elias Denneboom is al in 1881 overleden en nu is ook zijn weduwe, Saartje van der Roer, gestorven, waarop de 6 kinderen aan notaris Meesters opdracht geven de bezittingen te veilen.

Op deze veiling koopt Jacobus Johannes van der Berg via stroman (en buurman) Klaas Wildeboer het pand voor het bedrag van 2.255 gulden[1]. Maar helaas heeft hij niet lang van zijn aankoop kunnen genieten, want op 22 oktober 1894 overlijdt hij, slecht 48 jaar oud. Zijn oudste zoon, Matthijs, is dan 16 jaar oud en zijn jongste dochter slechts 2 jaar.

Waarschijnlijk verblijft Matthijs in 1894 in Hoogeveen. In het bevolkingsregister zien we namelijk dat hij op 13 november 1891, -14 jaar oud- naar Hoogeveen is vertrokken. Daar staat hij ingeschreven als bakkersleerling, met de vermelding dat hij ruim 5 jaar later, op 3 januari 1896, is vertrokken naar Zwolle. We mogen er dus van uit gaan dat hij het bakkersvak grondig heeft geleerd. In het bevolkingsregister van Zwolle zien we dat Matthijs daar gewerkt heeft als bakkersknecht bij bakker de Vries bij de Kamperpoort. Op 30 september 1899 vertrekt hij van Zwolle naar Coevorden.

Een paar maanden later is Matthijs weer terug in Dedemsvaart, want bij de volkstelling in 1899 is hij weer aan het register toegevoegd. In het register van 1900 zien we dat hij staat ingeschreven als koopman. We komen hem in die periode af en toe tegen als getuige in de Burgerlijke Stand en dan geeft hij als beroep ook winkelier, bakker en caféhouder op. Terwijl de andere kinderen in deze periode een bestaan buiten Avereest zoeken, werkt Matthijs aan een toekomst hier aan Sluis VI, waar z’n moeder de scepter zwaait over de manufacturen-winkel en Matthijs het café runt.

Omstreeks 1904 krijgt hij verkering met Tietia Koiter, dochter van landbouwer Berend Koiter en Jantje Slim, die op 27 april 1900 vanuit het Drentse Anloo naar Dedemsvaart zijn gekomen met hun zes kinderen. De familie Koiter maakt deel uit van een grote groep landbouwers uit Noord Nederland die hun geluk zoeken op de vruchtbare dalgronden ten zuiden van de Dedemsvaart. Koiter beschikt niet over het kapitaal om een eigen boerderij te kopen of te stichten, en daarom pachten ze een boerderij. Als het pachtcontract twee jaar later afloopt, verhuizen ze naar een andere boerderij en in 1907 vinden ze een betere stek onder de gemeente Ambt Ommen. Dochter Tietia, geboren te Anloo op 2 mei 1882, kan goed leren. Ze wil graag onderwijzeres worden en volgt daartoe de opleiding op de normaalschool in Veendam. Door het vertrek van de familie naar Dedemsvaart komt aan die opleiding een abrupt eind. Tietia vertrekt op 26 november 1901 van Dedemsvaart naar Zwolle, waar ze als kindermeisje aan de slag gaat. Oktober 1903 komt ze terug naar Dedemsvaart en niet lang daarna zal haar relatie met Matthijs van den Berg zijn ontloken.


Wat in het bevolkingsregister niet is geregistreerd, is dat Tietia in het najaar van 1905 naar Leiden is vertrokken, om in 6 weken opgeleid te worden tot breidster. Aanleiding hiervoor is dat vervener Bonne Bzn Berends, kleinzoon van stamvader Bonne Berends, in dat jaar de firma Hageman in Leiden koopt, een fabriek voor gebreide kleding. Hij wil de fabriek verplaatsen naar Dedemsvaart, om daarmee zijn zoon Berend een eigen bedrijf te geven. Berends heeft bedacht dat het verstandig is, alvorens het bedrijf in Leiden op te doeken, een Dedemsvaarts meisje naar Leiden te sturen om het vak te leren, opdat zij die kennis zal kunnen overbrengen aan de werksters in Dedemsvaart. En dat meisje is Tietia Koiter. Zij is daarmee de eerste werknemer van “de Eerste Nederlandsche Fabriek voor gebreide Fantasiegoederen”, het bedrijf dat later is overgenomen door de familie Minke en dat daarna de naam Delana kreeg.

Op 3 mei 1907 sluit Bonne Azn Berends, Ambtenaar der Burgerlijke Stand te Avereest, en neef van Tietia’s werkgever, het huwelijk tussen Matthijs van den Berg en Tietia Koiter. Tietia neemt daarna haar intrek bij Matthijs aan Sluis VI. Volgens de gewoonte van die tijd stopt ze bij Berend’s Tricotagefabriek. Niet lang daarna pakt Matthijs een nieuwe activiteit op: de handel in bier.
In 1910 telt Avereest drie bierhandelaars: Roelof Steenbergen, Wilhelm Gerhardus Swankhuisen en Matthijs van den Berg.

Op 9 februari 1910 krijgen Matthijs en Tietia een zoon, die wordt vernoemd naar zijn grootvader: Jacobus Johannes van den Berg. De vreugde over de geboorte van de kleine Koos wordt snel overschaduwd door het overlijden van Mathijs’ zuster Catharina Femma, die een week later, op 17 februari op 20-jarige leeftijd overlijdt in de woning aan Sluis VI. Het lijkt de opmaat voor een groter drama.

Op 14 juni 1912 overlijdt moeder Frederika Wijkstra, de weduwe van Jacobus Johannes van den Berg, 58 jaar oud. De erfgenamen laten geen gras groeien over de afwikkeling van de boedel en reeds op 29 juni 1912 laten ze een inventaris opstellen door notaris Berendsen. In deze inventaris zien we welke bezittingen, vorderingen en schulden er waren in de boedel[2].

In de inventaris herkennen we duidelijk dat de winkel in de eerste plaats een manufacturen zaak is geweest. Zo ligt er voor 190 gulden aan katoen, linnen en baai en voor 75 gulden aan petten, handschoenen, kantstoffen, gebreidgoederen en diversen. Maar ook zien we voor 20 gulden aan behangselpapier en voor 25 gulden aan tabak, zeep , zeeppoeder en lucifers, voor 90 gulden aan kruidenierswaren. De totale inventaris van de winkel wordt geschat op ca. 450 gulden.
Zoals in elke inventaris zien we een gedetailleerde opgave van goederen per kamer en op het erf. De totale waarde van de inboedel is geschat op 995 gulden en 35 cent.
Verder was er voor 450 gulden aan contanten in huis. Het totaal aan vorderingen op klanten bedroeg iets meer dan 300 gulden. Het totaal aan schulden bedroeg ruim 800 gulden. Daarnaast waren er twee hypothecaire schulden, Eén van tweeduizend gulden aan een zekere Nuis te Zwartsluis en één van éénduizend gulden aan G.J. Wijkstra te Driebergen, een jongere broer van Frederika.

Omdat de schulden ruim groter zijn dan de vorderingen, besluiten de erfgenamen de inboedel in een publieke verkoop te laten veilen. Die verkoop vindt op 1 juli 1912 plaats. De opbrengst bedraagt 514 gulden en 20 cent[3]. En op 16 juli en 30 juli is het onroerend goed geveild.
 

In de advertentie lezen we dat het café tot 1 mei 1913 verhuurd is. Die bepaling heeft Matthijs van den Berg vermoedelijk afgedwongen, zodat hij, in geval het pand in andere handen zou komen, de tijd krijgt om naar een andere locatie om te zien.

Op de eerste veiling dag is het onroerend goed ingezet op 2.700 gulden. Op de eindveiling koopt Matthijs van den Berg het pand voor 2.950 gulden[4]. Met dat bedrag kunnen de hypotheekschulden bijna worden afgelost. Het is duidelijk dat er uit de hele erfenis niet veel over schiet voor de erfgenamen.

Maar Matthijs heeft het geld niet op de plank liggen en dus moet hij geld lenen. Hij vind landbouwer Albertus Assen, zwager van caféhouder Hendrikus Krikhaar aan Sluis VI, bereid om een aflossingsvrij hypotheek van 2.000 gulden te verstrekken tegen 4% rente per jaar. Daarnaast geeft ook zijn oom Gerrit Jan Wijkstra in Driebergen, die eerder ook hypotheekverstrekker aan zijn moeder was, hem een hypotheek van 878 gulden en 78 cent, tegen dezelfde condities. De hypotheek actes passeren op 25 april 1913 bij notaris Berendsen[5].

Matthijs gaat op zoek naar mogelijkheden om meer inkomsten te genereren en hij vindt een mogelijkheid met zijn neef, bakker Pieter van den Berg, die in 1909 in Zwartsluis is gehuwd en die zich daarna in Balkbrug heeft gevestigd. Pieter heeft er wel oren naar om aan Sluis VI een bakkerij te beginnen, maar dan moet het pand wel verbouwd worden. Daarom vraagt Matthijs in augustus 1913 vergunning voor het verbouwen van het winkelpand. Op de bouwtekening zien we ondermeer dat in het achterhuis een grote oven wordt gebouwd. Vervolgens komt Pieter van den Berg op 15 december 1913 met zijn gezin naar Sluis VI.Door het verhuren van een deel van zijn pand, lijkt Matthijs van den Berg een stabiele financiële basis gevonden te hebben. En zo verstrijkt het jaar 1914 zonder opmerkelijke gebeurtenissen aan Sluis VI. Dit in tegenstelling tot het wereldtoneel, waar The Great War, de grote oorlog, is uitgebroken.

1915

Op 22 maart 1915 overlijdt Tietia’s vader, Berend Koiter. Nadat hij met zijn vrouw in 1907 naar Ambt Ommen was vertrokken, keerden ze in 1909 terug in Avereest. Ze wonen nu op een boerderij in De Driehoek. Op verzoek van de nabestaanden maakt notaris Berendsen op 16 april een inventaris[6]. Daaruit blijkt dat de familie Koiter geen onroerend goed bezit. Wel is aan de inventaris te herkennen dat Berend Koiter op z’n 70e nog actief landbouwer was. Zo is er een partij pootaardappelen met een waarde van 343 gulden en 75 cent. Er is voor 25 gulden aan eetaardappelen en 42 gulden aan zaaihaver. Er is een paard (140 gulden), een schaap (30 gulden), 12 kippen en een haan (10 gulden) en een wipkar, geschat op 35 gulden. Verder zien we nog de nodige landbouwwerktuigen. Opvallend is dat de inventaris van de woning heel beperkt is. De totale waarde van de inboedel is geschat op 959 gulden en 85 cent.

Er is niet meer dan 5 gulden aan contant geld in huis. Wel heeft Berend Koiter 450 gulden aan vorderingen, waarvan 250 gulden op zijn schoonzoon Matthijs van den Berg. Een duidelijk teken dat Matthijs en Tietia het financieel zwaar hebben.
Verder had Berend Koiter twee aandelen in de Coöperatieve aardappelmeelfabriek te Coevorden van nominaal 250 gulden per stuk, alsmede een vordering op deze fabriek wegens geleverde aardappelen van 657 gulden.
Het totaal der schulden bedraagt slechts 250 gulden, waarvan 17 gulden aan rijtuigenmaker Jan Hendrik Cadee voor de geleverde lijkkist. De totale begrafeniskosten bedragen 91 gulden en 50 cent.

We zien in het bevolkingsregister dat Tietia Koiter drie weken na het overlijden van haar vader, op 15 april 1915, met haar zoon Jacobus Johannes haar intrek neemt bij haar moeder. Kennelijk verlaat zij haar echtgenoot. Waarom? In de familie is hierover niets bekend.

Dan volgt er een nogal uitzonderlijke gebeurtenis. Op 22 juni 1915 vindt er een openbare verkoop van roerende goederen plaats “ten sterfhuize” van wijlen Berend Koiter, op last van de kantonrechter te Ommen op 8 juni 1915, waar de weduwe Koiter, haar zoon Lucas, caféhouder te Balkbrug en haar schoonzoon Hendrik Julsing, landbouwer te Gramsbergen, in een rechtszaak tegen schoonzoon en zwager Matthijs van den Berg verzocht hebben om deze verkoop. Helaas heb ik de toedracht van deze rechtzaak nog niet in de archieven kunnen achterhalen

Opmerkelijk is verder dat alle aangeboden roerende goederen in deze veiling, die maar liefst 1.729 gulden en 90 cent opbrengt, worden gekocht door de weduwe Koiter. Het is dus de vraag hoe openbaar deze verkoop werkelijk was. In de acte van verkoop[7] zien we verder dat Matthijs van den Berg niet aanwezig was.

Een belangrijke aanwijzing voor wat er gaande was, vinden we in het archief van de arrondissementsrechtbank te Zwolle, waar een grote verzameling faillissementsdossiers bewaard wordt, waaronder het dossier van Matthijs van den Berg, herbergier te Dedemsvaart.

Failliet

We lezen dat Albertus Assen, die Matthijs in 1913 een hypotheek van 2.000 gulden heeft verstrekt, in februari 1915 nogmaals een geldbedrag van 500 gulden heeft geleend aan Matthijs. Maar omdat Matthijs sindsdien geen rente heeft betaald, en omdat Assen weet dat Matthijs meer schulden heeft die hij niet afbetaalt. “Dat hy derhalve verkeert in den toestand, dat hy heeft opgehouden te betalen”, vraagt hij de rechter op 30 september om Matthijs in staat van faillissement te verklaren, zodat hij als hypotheekverstrekker het woon/winkelhuis kan laten veilen. De rechtbank laat er geen gras over groeien en sommeert Matthijs per expresse brief op 2 oktober te verschijnen voor de rechtbank.

Echter, Matthijs wordt niet aangetroffen en niemand weet waar hij verblijft of wanneer hij terug zal komen. Daarop spreekt de rechter het faillissement uit en roept de schuldeisers op zich bekend te maken, zodat de balans kan worden opgemaakt.

Daarop wordt de verkoop van het onroerend goed aangekondigd.


In de notariële acte van Notaris Berendsen[8] zien we dat de notaris tijdens de beide veilingdagen vergezeld wordt door “den Edelachtbaren heer” Mr Johan Petrus Antoine Baron Mulert, rechter in het kanton Ommen.

Op 28 oktober is het onroerend goed in de 2e veiling gekocht door caféhouder Hendrikus Krikhaar van Sluis VI, die de bieding heeft laten uitvoeren door een stroman, tuinder Antonius Theodorus Ramaker.

Waar is Matthijs van den Berg gebleven?

Waarschijnlijk is Matthijs in de zomer van 1915, of misschien al in het voorjaar, met stille trom vertrokken. In het najaar verblijft hij in Amsterdam, waar hij contact heeft met zijn neef Jan Wijkstra die daar met zijn gezin woont. Matthijs is op zoek naar werk en slaagt er uiteindelijk in om aan te monsteren op een olietanker van de American Petroleum Company.

Petroleum

In het midden van de 19e eeuw is men in de Verenigde Staten van Amerika begonnen met de grootschalige productie van de brandstof die wij petroleum noemen, en die in de meeste landen van de wereld kerosine heet. Deze brandstof wordt tot op heden op grote schaal gebruikt in de luchtvaart. Maar in de decennia rond 1900 werd petroleum op grote schaal in huishoudens gebruikt als brandstof voor verlichting en verwarming. Ook in Nederland werd petroleum rond 1890 heel populair, ondermeer als vervanger voor het tot dan toe veel gebruikte olie product walvis traan.  

Een van de grote spelers in de productie van petroleum was de in 1870 in de U.S.A. gestichte firma Standard Oil. Later is de afkorting S.O. omgezet in de bekende merknaam Esso. In 1891 wordt de American Petroleum Company opgericht, een Amerikaans-Belgisch-Nederlandse onderneming die als doel heeft de producten van Standard Oil te verkopen in Nederland en Belgie. Het bedrijf ontstaat ondermeer door overname van een aantal kleinere bedrijven die al actief zijn met de import van petroleum uit de U.S.A. In 1898 richten ze de verkoopmaatschappij “De Automaat” op, die in Nederland een distributie netwerk opzet voor de verkoop van petroleum voor huishoudelijk gebruik.


De American Petroleum Company maakt vanaf haar oprichting gebruik van moderne tankschepen om de aardolieproducten van de USA naar België en Nederland te brengen. Eén van die schepen is “La Flandre”, een 82 meter lang stalen schip dat op 24 april 1888 van stapel loopt in Newcastle, UK. Het schip is voorzien van een 181 PK Triple Expansion stoom machine, maar is ook voorzien van zeilen, die vooral als doel hebben om het schip te stabiliseren.
Ook tijdens de eerste wereldoorlog pendelt de tankervloot van de APC tussen Europa en de USA. En zo monstert Matthijs van den Berg eind december 1915 aan als hofmeester op La Flandre. De hofmeester is aan boord verantwoordelijk voor het voeden van de bemanning.

De zeevaart is tijdens de Grote Oorlog van 1914 tot 1918 bepaald niet zonder gevaar. Met name in het kanaal wemelt het van de Duitse duikboten die het ene na het andere koopvaardijschip tot zinken brengen door middel van het leggen van zeemijnen in de route van het doelwit. In 1914 beginnen de U-boten met hun aanvallen vanuit hun basis in Zeebrugge, waarvan er dat jaar 15 succesvol waren. In 1915 zijn dat al 756 succesvolle aanvallen. Door aan te monsteren neemt Matthijs een flink risico.

bestemming: New York

La Flandre komt op 24 december 1915 in IJmuiden aan vanuit New York met zware schade aan de brug (de stuurhut) ten gevolge van zware weersomstandigheden tijdens de reis. De schade zal snel zijn hersteld, want op 30 december 1915 vaart La Flandre weer uit, met bestemming New York. En zo viert Matthijs van den Berg oud en nieuw aan boord van een stampend en rollend schip. Als het schip bij IJmuiden buitengaats is, geeft Matthijs een briefkaart aan de loods mee voor zijn broer Koos, die aannemer in Hardenberg is.

In de scheepstijdingen, die in alle de dagbladen worden geplaatst, zien we dat het schip de rede van Dover op 2 januari 1916 is gepasseerd. En vervolgens komt het op 12 januari aan in Fayal op de eilandengroep de Azoren, om te bunkeren (brandstof te laden). Op Fayal stuurt Matthijs een fraaie ansichtkaart aan zijn broer Koos. Het is het laatst bewaard gebleven handschrift van Matthijs…


Op 16 januari vertrekt La Flandre van Fayal richting New York. Op 29 januari 1916 vaart het schip de Hudson River op en passeert het 30 jaar oude vrijheidsbeeld om af te meren bij de laadplaats van Standard Oil, waar onmiddellijk wordt begonnen met het voltanken van het schip. De bemanning mag tijdens het laden van boord en zo zet Matthijs voet aan wal in Big Apple, waar hij zich zal hebben vergaapt aan de voor Europese begrippen ongekende wolkenkrabbers. Omstreeks 1890 begon men in New York met de constructie van stalen gebouwen, waardoor men in staat was de hoogte in te gaan. In 1902 stonden er al 65 wolkenkrabbers en in 1916 is New York nog steeds een grote bouwplaats.

Drie dagen New York. Dat klinkt zo mooi. Behalve als je de afloop kent…
Op 2 februari 1916 begint het schip volgeladen aan de retour reis naar Rotterdam. Dit is het laatste goede bericht dat we van La Flandre zien, want het eerstvolgende nieuws, op 23 februari, is verschrikkelijk.

Op 24 februari, drie dagen na de ramp, krijgt broer Koos van den Berg een telegram van de American Petroleum Company, met de mededeling dat men vreest voor het leven van van den Berg.


Diezelfde dag schrijft Jan Wijkstra, de neef uit Amsterdam waar Matthijs kort voor zijn aanmonstering verbleef, een uitgebreide brief aan Koos van den Berg, de aannemer in Hardenberg. Meteen nadat Jan het bericht in de krant heeft gelezen is hij op zoek gegaan naar de overlevende, 2e machinist Hendrik Wolkers, en hij is er in geslaagd hem te vinden. Wolkers bevestigt dat Matthijs aan boord was tijdens de ramp. Wolkers heeft lovende woorden over Matthijs, die een gentleman was tussen het ruwe zeevolk. Matthijs heeft zich ondermeer populair gemaakt door heerlijk banket te bereiden voor de bemanning. Verder vertelt Wolkers dat Matthijs in New York verschillende dingen aangeschaft had voor zijn uitrusting aan boord. Ook vertelt Wolkers dat hij Matthijs een nieuw hoedje had gegeven nadat diens pet overboord was gewaaid…

Met enig bladerwerk op de website van het stadsarchief Amsterdam is het niet moeilijk om het gezin van Hendrik Wolkers te vinden. Rechtsboven op de kaart staat duidelijk het adres Peperstraat 13. We zien dat Wolkers ten tijde van de ramp 2 kinderen heeft en dat zijn vrouw net voor vertrek van La Flandre of onmiddellijk na terugkeer van haar echtgenoot zwanger is geraakt, want op 2 oktober bevalt ze van haar derde kind, zoon Hendrik.
Een leuke bijkomstigheid: Hendrik Wolkers is een oom van de schrijver, beeldhouwer en schilder Jan Wolkers

In de analen van de Eerste Wereldoorlog is akelig nauwkeurig per duikboot vastgelegd welke schepen ze tot zinken hebben gebracht. Zo prijkt “La Flandre” op de “triomflijst” van de UC5, een duitse onderzeeboot die op 13 juni 1915 in Hamburg van stapel liep en die al 24 schepen tot zinken heeft gebracht als ze onder leiding van kapitein Ulrich Mohrbutter op 21 februari 1916 haar mijnen uitwerpt voor La Flandre. 
Aan haar zegereeks komt op 27 april 1916 een einde, als de UC5 aan de grond loopt voor de kust van Engeland. De bemanning verlaat het schip en slaagt er in niet in het schip op te blazen. Daarop wordt de UC5 door de Engelsen in triomf de Thames opgesleept om in Londen te worden tentoongesteld.

onnodig verdronken?

In de openbare zitting van de Raad voor de Scheepvaart van 18 maart 1916 wordt een onderzoek ingesteld naar de gang van zaken rond de ramp met La Flandre.

Een verslag hiervan vinden we in het tijdschrift "de Zee", jaargang 38, 1916.

Onder andere werden als getuigen gehoord Hendrik Wolkers en Dirk den Heyer, onderscheidenlijk tweede-machinist en matrons aan boord van de „La Flandre" tijdens de ramp en wonende te Amsterdam en Scheveningen; zoomede buiten eede Gustaaf Claude, oud-gezagvoerder van de „La Flandre", wonende te Amsterdam.
Voorts nam de Raad kennis van het proses-verbaal van verhoor afgenomen door de Scheepvaartinspectie van William Johan Martin Crawford en John Ambrose, onderscheidenlijk gezagvoerder en tweede-stuurman aan boord van het stoornschip „Ousel" en wonende te Birkenhead en Liverpool.

Uit een en ander is den Raad het navolgende gebleken :
Het Nederlandsche stoomschip „La Flandre", gebouwd in 1888 te New-Castle van staal en ijzer, is een tankschip, groot bruto 2016 Reg. Ton, eigenares de American Petroleum Company te Rotterdam.
Het schip, bemand met 31 koppen, was op reis van New-York naar Rotterdam, met een voile lading petroleum. Er waren twee booten aan boord, welke elk een 30 man konden bevatten. Verder bevonden zich een voldoend aantal reddinggordels in het stuurhuis, vlak bij het sloependek, terwijl ook in de hutten der officieren reddinggordels waren.
Op 21 Februari 1916, des namiddags ongeveer 1.30 vertrok het schip van de reede van Deal; om ongeveer 6 uur toen men in de nabijheid was van Galloper-vuurschip, werd een zware ontploffing gehoord. Men snelde naar de booten, welke niet buitenboords gedraaid waren. De „La Flandre", die kennelijk aan B. B. achterschip was getroffen, zonk echter zoo spoedig, dat het niet meer mogelijk was de booten te water te laten.
Getuige den Heyer, die evenals getuige Wolkers bij de stuurboord boot was, sprong in die boot om hem van de takels of te hakken; toen het geheel naar beneden ging, sloeg de boot om en kwam den Heyer er onder; het gelukte hem echter er onder uit te komen en een ladder te grijpen, waarmede hij drijvende bleef.
Getuige Wolkers was evenals de anderen over boord gesprongen. Deze getuige had nog gelegenheid gevonden uit zijn hut een zich daar bevindend zwem vest te halen en dit orn te doen. Toen hij in het water lag, kreeg hij een stuk hout en een ladder te pakken, waarna hij zijn zwemvest afdeed en aan een der in zijn nabijheid in het water spartelende personen toe wierp. Inmiddels was de „La Flandre" gezonken.

In de nabijheid van de ramp be yond zich het Engelsche stoomschip „Ousel". De gezagvoerder liet dadelijk de de boot uitzetten, riep vrijwilligers op waartoe zich aanmeldden de tweede-stuurman genoemde John Ambrose, Hugh Mac Corkell, George Alien, August van Meir en Martin Browne, onderscheidenlijk wonende te Manchester,Liverpool, Terneuzen en New-Ross.
Deze vijf mannen gingen in de boot en roeiden naar de plaats des onheils, voortdurend roepend en met hun lantaarn zwaaiend. Zij pikten na een uur zoeken getuige Wolker op en vervolgens nog getuige den Heyer, die bewusteloos was. Niettegenstaande alle verdere moeite gelukte het niet een der andere schipbreukelingen te vinden en daar ook verder niets van hen gehoord is, moet worden aangenomen, dat 29 man bij deze ramp zijn omgekomen. De getuigen Wolker en den Heyer, werden op de Ousel goed verzorgd welk schip hen naar Rotterdam bracht.
De Raad is van oordeel, dat de „La Flandre" op een mijn is gestooten en dientengevolge is vergaan.
Deze ramp geeft den Raad aanleiding nogmaals op te merken, dat gedurende de tegenwoordige omstandigheden tijdlens de vaart over de Noordzee de reddingbooten buitenboord behooren te zijn gedraaid. Ook is het een vereischte dat er ruitnschoots zwemvesten op verschillende plaatsen van het schip aanwezig zijn, niet alleen bij het sloependek maar ook in het logies der bemanning, gelijk de Raad reeds aangaf in zijn uitsprttak over de ramp overkomen aan het stoomschip „Apollo".
Weliswaar is opgemerkt, dat de bemanning menigmaal geen prijs schijnt te stellen op de zwemvesten en deze vernielt maar daargelaten of dit in de huidige tijdsomstandigheden nog het geval is, kunnen die zwemvesten weder uit het logies verwijderd worden, nadat men de gevaarlijke zone voorbij is.

Aldus uitgesproken door den plv. Voorzitter ter openbare zitting van 25 Maart 1916. (overgenomen van de website aukevisser.nl)

Het lijkt er dus op dat mensenlevens gespaard hadden kunnen worden als de bemanning de juiste voorzorgmaatregelen had genomen...

New York revisited

Dat de geschiedenis vol grillige toevallen zit zien we in oktober 1917, als de UC5 in drie delen naar New York wordt gebracht, om daar in Central Park te worden tentoon gesteld, 20 maanden nadat Matthijs van den Berg daar z’n ogen uit keek…

Koos van den Berg

Matthijs was op zijn eerste zeereis verzekerd tegen rampen als deze. Reeds op 31 mei 1916 krijgt zijn weduwe, Tietia van den Berg-Koiter het “bewijs van blijvende uitkeering van resp 30% en 15% van des overledenen dagloon, dat op 2 gulden en 70 cent is gesteld”.


Het faillissement van Matthijs van den Berg is pas op 27 mei 1918 afgewikkeld. Uiteindelijk vallen de schulden wel mee, als je dit vergelijkt met andere faillissementszaken in die tijd. De belangrijkste benadeelden zijn Bernardus Assen, die er voor 500 gulden bij in schiet, en broer Koos van den Berg, de aannemer in Hardenberg, voor ongeveer 250 gulden.

Tietia van den Berg-Koiter is met haar zoon Koos bij haar moeder blijven wonen in de Driehoek. Voor zover bekend heeft ze geen andere inkomsten gehad dan het kleine pensioentje. Toch stelt ze haar zoon Koos in staat om naar de MULO te gaan. Koos kan daarna in 1926 -16 jaar oud- aan de slag op kantoor bij de Fantasiefabriek aan de Rollepaal (in 1930 wordt de naam gewijzigd in Delana). Wellicht dat de oude banden die zijn moeder met de tricotage fabriek had, tot voordeel zijn geweest.
Buiten werktijd is Koos veel met sport bezig. Zo is hij in 1929 een van de grondleggers van voetbalclub DVC. In 1933 wordt Koos “ambtenaar ter secretarie” bij de gemeente Avereest. Hij verlaat Delana met een fraai getuigschrift, waaruit ondermeer blijkt dat hij uitstekend functioneerde als handelscorrespondent. In hetzelfde jaar overlijdtzijn oma, Jantje Egberts Koiter-Slim. Koos heeft intussen verkering met Ina Jonker.

Ina is het achtste kind van schipper Werner Jonker, die met zijn gezin aan boord door het land. Ina is dan ook in 1909 aan boord geboren te Millingen aan de Rijn. Als kind is ze in Dedemsvaart ondergebracht bij drie ongehuwde tantes, de gezusters Geesje, Annigje en Geertje Jonker. Als haar ouders zich in 1924 in Dedemsvaart aan wal vestigen –haar vader begint daar een “waschinrichting”- keert ze terug naar haar ouders. Koos van den Berg en Ina Jonker trouwen in 1936 en betrekken een woning op de hoek van de Julianastraat en de Kerkstraat. Daar zijn twee dochters geboren in 1937 en 1939.

In de oorlogsjaren is het gezin verhuisd naar de hoek Wisseling-Peterswijk. Dit pand huren ze van scheepsbouwmeester J.G. Peters. Moeder Tietia van den Berg-Koiter komt vanuit de Driehoek naar het gezin van haar zoon en schoondochter en in 1946 is daar dochter Mathilde geboren.
In 1958 zegt Peters hen de huur op. Een zoon van Peters zal trouwen en de woning was voor het jonge paar bestemd. Nadat de familie van den Berg verhuisd is naar de Prins Bernhardstraat raakt bij Peters Jr de verkering uit, waarna de woning een paar jaar leeg staat...

Toen Koos in 1933 de stap van Delana naar de gemeente maakte, werkten er zes mensen op het gemeentehuis. Koos maakte regelmatig promotie en viel ondermeer op door zijn goede schrijfvaardigheid.

In de oorlogsjaren maakte hij van z’n positie gebruik om achter de schermen “van alles” stil te regelen, of juist te traineren. Toen hij in 1944 tegen zijn zin door waarnemend burgemeester van Arkel burgemeester tot Ambtenaar van de Burgerlijke Stand werd genoemd, wist hij door eindeloos rekken van de officiële beëdiging, te voorkomen dat hij daadwerkelijk op de voorgrond zou moeten treden in deze rol. Ook in zijn verdere carrière is kenmerkend dat Koos vanuit de achtergrond opereerde, zowel binnen het gemeentebestuur als privé. Maar buiten het zicht van de camera zette hij zijn schouders onder tal van onderwerpen. En met resultaat.

Zo nam hij het initiatief tot oprichting van de Stichting Ontwikkelings Fonds, waarmee ondermeer de stichting van zwembad het Keerpunt in Plan Zuid mogelijk werd gemaakt. Bij het ontwerp van het zwembad was het Koos van den Berg die doordramde dat er een 25 meter bad kwam, zodat er wedstrijden konden worden gehouden. En ook de naam van het zwembad komt van Koos, die trouwens ook de naam bedacht voor sporthal De Citadel aan de Markt, waarvoor hij zich daarvoor ook flink had ingespannen. Koos wist de middelen te vinden om een tennisbaan te realiseren en hij gaf de aanzet tot de oprichting van de VVV in Dedemsvaart. Koos was daarnaast een van de oprichters van de Avereester Kunstkring en toen winkelcentrum De Vaart tot stand kwam, zette Koos z’n schouders onder de realisatie van een biljart-gelegenheid. Trouwens, ook in het tuinhuisje bij zijn woning aan de Prins Bernhardstraat stond een wedstrijdbiljart, dat intensief door de buurt werd gebruikt.

Binnen de gemeente organisatie heeft Koos jarenlang de gemeenteraads vergaderingen genotuleerd, maar ook vele andere vergaderingen. Daarnaast verzorgde hij de redactie van “de raadhuisklepel”, een rubriek in de huis-aan-huis editie van de Dedemsvaartsche Courant met informatie van de gemeente. Koos van den Berg zette zich ook in voor het open houden van het kanaal de Dedemsvaart en in meer brede zin; het realiseren van een leefbaar dorp. En alles wat hij deed, deed hij met volle inzet, dikwijls ten koste van zijn eigen gezondheid. Uiteindelijk gaf die gezondheid de doorslag om in 1973, het jaar waarin zijn moeder Tietia Koiter overleed, vervroegd te stoppen met werken. Maar ook daarna zette Koos zich regelmatig in voor de belangen van het dorp, bijvoorbeeld toen de naam Dedemsvaart verdween bij de afslag Nieuwleusen op de A28. Koos schreef een “Blauwboek” en mede dankzij zijn lobby kwam Dedemsvaart weer op de borden.

In 1995 werd Koos benoemd tot ereburger van Avereest. Van die aandacht moest hij niets hebben, maar tegelijk was de aandacht voor hem volkomen terecht, gelet op de grote verdiensten die hij voor de gemeenschap in Avereest heeft gehad. Op 3 april 1999 is hij overleden, ruim 83 jaar nadat zijn vader Matthijs een zeemansgraf kreeg.

Helmuth Rijnhart

Met dank aan Cor en Mathilde Brouwer-van den Berg

 

[1] HCO toegang 122 inv. 382, acte 4350

[2] HCO toegang 122 inv. 4827 acte 6589

[3] HCO toegang 122 inv. 4827 acte 6590

[4] HCO toegang 122 inv. 4828 acte 6606

[5] HCO toegang 122 inv. 4831 actes 6928 en 6929

[6] HCO toegang 122 inv. 4838 acte 7691

[7] HCO toegang 122 inv. 4839 acte 7801

[8] HCO toegang 122 inv. 4840 actes 7895 en 7905

Reacties

afbeelding van Bert Prins
Beste Helmuth, Wat een mooi en interessant artikel. Prachtig gedocumenteerd. Mijn oudoom Lodewijk Hass (1888-1916) uit Rotterdam behoorde volgens de gezinskaart uit het bevolkingsregister van Rotterdam ook tot de opvarenden "overleden bij de scheepsramp nabij het Galloper vuurschip dd 21/2/1916 a/b SS La Flandre". In de opsomming van de Middelburgse Courant en van het NRC (op de site van Auke Visser) komt hij echter niet voor. Weet jij of er een officiële lijst met opvarenden bestaat? groet Bert Prins
afbeelding van Helmuth Rijnhart
Hallo Bert, ik heb niet gezocht naar een lijst met opvarenden, maar kijk eens bij het Nationaal Archief naar de verslagen van de Raad voor de Scheepvaart http://www.gahetna.nl/collectie/index/nt00404/view/NT00404_raad_voor_de_scheepvaart/q/zoekterm/laflandre/q/comments/1/page_size/50. Daar zie ik drie hits op laflandre. Als je resultaat vindt dan hoor ik het graag!
afbeelding van Bert Prins
Dag Helmuth, Bedankt voor je snelle reactie en tip. De hits leiden helaas alle drie naar "Pagina niet gevonden"; ik heb gahetna.nl gevraagd dit uit te zoeken, dus ik moet nog even geduld hebben. Als ik nieuws heb laat ik het weten!