Verhaal

Een rijdende doodskist in Dedemsvaart

Auteur: 
Wouter Berends

Waar in de geschiedschrijving van de veenkolonie Dedemsvaart (terecht) veel aandacht is geweest voor het leven en werk van Bonne Berends en zijn nakomelingen, is er weinig tot geen aandacht geweest voor het talrijke nageslacht van een tijdgenoot, Benjamin Berends (geen familie). Nu is goed te verdedigen dat de invloed van de familie Bonne Berends voor de streek beduidender is geweest.

Waar echter wijlen Jacob Drent in zijn "Bijdrage" op bladzijde 172 stelt "Woonden omstreeks de eeuwwisseling nog meer dan 40 personen, die de geslachtsnaam Berends droegen, in onze gemeente, thans (1978) treft men er van die naam niet één meer aan" gaat de aandacht voor Bonne Berends te ver. Nog steeds (1997) komt de naam Berends in de telefoongids van Dedemsvaart voor. Dit zijn nakomelingen van Benjamin, een arbeidersfamilie die vanaf het prille begin van deze veenkolonie hier vertegenwoordigd is geweest.

Dat het gebruik van familienamen in de eerste helft van de vorige eeuw nog niet algemeen was, blijkt bij het huwelijk van zoon Jan (1813), op 9 oktober 1840. Als naam wordt daar vastgelegd: Jan Berends, ook wel Bennen (Bennen is het patroniem voor Benjamin).
Een jongere zoon, Derk (1819), slaagde er omstreeks 1850 in als schipper te beginnen. Zijn gezin (op dat moment vier jonge kinderen) bleef aanvankelijk aan wal wonen. Toch werden de kinderen vertrouwd met het water: van de vijf kinderen die volwassen werden de twee jongens, Roelof (1841) en Dirk (1853), zelfstandig schipper en trouwden de drie meisjes ieder met een schipper.
De genoemde Dirk (1853-1928), schipper, brandstoffenhandelaar en uitbater van sigarenzaak "Keetje Mossel" aan de Kalkwijk, is de grootvader van de heer Wouter Berends, lid van onze vereniging. Wouter Berends heeft veel verhalen uit familie-overlevering op schrift gesteld. Hierna volgt zijn relaas over "de rijdende doodskist", een in Dedemsvaart en wijde omstreken vermaard vehikel van zijn grootvader en zijn vader Roelof Berends, waarmee tussen de beide wereldoorlogen vanuit Dedemsvaart het hele land doorkruist werd.

Helmuth Rijnhart

Een schipper gaat aan wal 

Omstreeks de eeuwwisseling waren de oudste zoons van turfschipper Dirk Berends, Derk (1879) en Jan (1881), in staat om zelfstandig op pad te gaan met hun "ijzeren" schip, "de gebroeders". Dirk vestigde zich aan de wal waar hij een brandstoffenhandel begon. In 1904 kocht hij een stuk grond aan de Kalkwijk (thans Julianastraat 46, dierenzaak "Rina") waar hij een woonhuis bouwde. Het perceel ernaast (thans Julianastraat 48, poelier Dragt) kwam tegelijkertijd in handen van Dirk's oudere broer Barend, die ook gevaren had. In 1911 liet hij er een woon- winkelhuis bouwen, waar hij een foeragehandel dreef. In die jaren werkten de twee broers nauw samen.

Dirk's derde zoon, Arend (1893), kreeg de kans "om te leren". Hij kon als klerk aan de slag bij notaris Berendsen, die even verderop aan de Kalkwijk woonde.
De vierde zoon, Roelof (1895), zou met zijn oudste broers gaan varen. Daartoe, zo besloot men, moest de naam van het schip worden gewijzigd in "de drie gebroeders". Omdat de ruimte op de houten naamborden echter te krap was voor deze tekst, werd de naam vastgelegd als "de 3 gebroeders". Een hoogst ongebruikelijke schrijfwijze, maar wél een opvallende. Roelof bleek niet over de zeebenen te beschikken van zijn vader en zijn broers. Daarom werd op zeker moment besloten een plek aan de wal te zoeken. Roelof zou beter op z'n plek zijn in de handel.

Bier

Die kans kwam in 1914, toen Roelof een bierbottelarij over kon nemen. In die tijd leverden de bierbrouwerijen uitsluitend vaten hier uit, die dan lokaal gebotteld werd door zogenaamde agenten. In dit geval betrof het een agentschap van de Zwolsche Bierbrouwerij. Roelof bracht een bod uit van f 100,-. Dat was, zo liet men weten, een eind in de goede richting. Uiteindelijk werd de zaak afgemaakt op f 119,-.
Maar daarmee was de koos nog niet af. Roelof moest een bewijs van goed gedrag afgeven. Dat was niet zo moeilijk, omdat Arend, zijn broer, als notarisklerk wel raad wist met zo'n bewijs, dat dan ook prompt werd geaccepteerd. Je moet bedenken dat in die 119 gulden alles was inbegrepen. Kisten, flessen en materiaal om bier te bottelen uit de vaten die door de brouwerij werden aangeleverd. Je kreeg het bier in vaten aan en moest dan zelf het bier voorzichtig in de flessen laten lopen. Je moest er op letten dat de flessen goed schoon waren, want anders ging het bier gisten en knalden de flessen kapot. Het ging overigens niet alleen om bier.

De zaken gingen tijdens die Eerste Wereldoorlog goed. Al snel zag Roelof kans om het bier ook buiten de plaats af te zetten. Hij schafte een wagen en een tweetal paarden aan, witte schimmels, waarmee hij tot in de verre omtrek bier aan de man bracht. Al gauw werd het span ook gebruikt om andere vrachten te vervoeren. De geboren ondernemer Berends wist goede handel te maken.
Ook ging men over tot het maken van limonadegazeuse, beter bekend als champagnepils. Het water werd met een eigengemaakte houten tankwagen uit Zuidwolde gehaald, want schoon helder water was noodzakelijk, om ongewenste gisting te voorkomen. Ook is later geprobeerd op een andere manier water te krijgen. Hij liet een kelder bouwen. Niet zo maar eentje, het was de bedoeling dat het regenwater opgevangen werd. Het moest natuur­lijk gefilterd worden. Daar had hij een methode voor die heden ten dage nog wel wordt toegepast; het was een bak met daarin grint en houtskool en daar boven een soort turfmolm. Als het regenwater goed was doorgespeeld dan had je helder drinkwater. In het pand waar nu poelier Dragt zijn zaak heeft is misschien nog te zien waar die kelder was.

Een auto

Het ging goed met de zaken, en een jaar of twee na de eerste wereldoorlog kwam het plan om een vrachtauto te kopen. Die kon veel sneller en men had de paarden niet meer nodig. Als die geen werk hadden moesten ze wel voer hebben en dat kost veel geld. Smid Van Wilpe wist een tweedehands vrachtauto te koop. Het was een goede Duitse legerauto. Deze kwam naar Dedemsvaart om een proefrit te maken. Op de bewuste dag was daar dan liet gevaarte. Er werd proef gereden.
Er waren nog geen asfalt wegen, en naar bleek had deze vrachtwagen massieve banden en nagenoeg geen vering. De rit begon. Roelof moest voorin want hij zou als de koop door ging met deze wagen rijden. Zijn vader en nog iemand gingen achterin de bak. De Kalkwijk werd afgereden en men ging over de Langewijk richting Sluis Zes. De chauffeur liet Roelof zien hoe hard hij wel kon. Dat had hij beter niet kunnen doen, want achter in de bak werden Derk Berends en zijn medepassagier door elkaar gegooid. Ze vlogen door de bak. Ze konden schreeuwen wat ze wilden maar er was geen verandering. Ergens bij de Gereformeerde Kerk hoorden Roelof en de chauffeur vloeken en een geschreeuw. Ze stopten, en voor ze konden vragen wat er aan de hand was, schreeuwde Derk Berends: "Wij zijn bont en blauw en hier blijft geen flesje bier heel". Ze gingen ook niet meer mee terug. Ze hadden er genoeg van. Met pijn en moeite kwamen zij later thuis. De wagen was al weer weg, want de man die deze wagen wilde verkopen had wel door dat de koop niet door ging.
Dat de koop niet door ging, wilde niet zeggen dat er geen auto kwam. Er werd contact op genomen met het garagebedrijf van Herman Bontius. Er werd besloten een T-Ford te kopen, zonder bak.
Met de dealer van Ford in Nijmegen werd afgesproken dat er voor de som van f  2.000,00 een T-Ford gekocht kon worden in de meest kale uitvoering. Naast het chassis en de motor bestond het vehikel uit niet meer dan een motorkap en een voorruit. Over het bedrag kon niet worden onderhandeld.
Er werd een dag afgesproken om de T-Ford uit Nijmegen te halen, tegen contante betaling. Roelof Berends kreeg van zijn vader de f  2.000,00  en reisgeld om met de trein naar Nijmegen te gaan. Dat was een hele onderneming, met zoveel geld op zak. We praten dan ook over de jaren 1920. Samen met Herman Bontius in Nijmegen aangekomen,gingen ze naar de Ford Dealer. Daar werd Roelof medegedeeld dat de T-Ford geen f  2.000,- koste maar f  2.100,-. Dat was honderd gulden duurder. Roelof had dat geld niet bii zich, dus belde hij naar Dedemsvaart naar zijn vader. Deze ging niet akkoord. f  2.000,- en geen cent meer. Roelof zag de mooie T-Ford aan zijn neus voorbij gaan. Hij zei dan ook dat voor de afgesproken prijs de koop door kon gaan en anders niet. Er werd niet zo lang onderhandeld, de koop ging door.

Een zitting was er niet, wel een plek waar ze een kist op konden zetten, die werd vast gebonden. Zo werd de reis begonnen naar Dedemsvaart. De reis verliep voorspoedig. In Dedemsvaart was het bekend dat Dirk Berends de T-Ford had gekocht. In de late avond werd de T-Ford dan ook verwacht. Toen Herman Bontius en Roelof Berends in Dedemsvaart aankwamen, was er veel belangstelling. Er was een grote teleurstelling, want velen hadden wel eens een afbeelding gezien van een vrachtauto, maar dit?
Dirk Berends bouwde zelf een cabine en een bak op de vrachtauto. De bak moest wel groot worden. Voorschriften waren er toen niet. Het was dan ook zo dat de bak veel te ver over de achteras stak. Roelof protesteerde wel, maar Dirk Berends zei: "Je zet de zware lading dan maar niet achter in de bak". Het werd een dichte bak met een kleed er over. Eenmaal gereed, is er veel met deze auto beleefd.
Dat de wagen de naam kreeg van rijdende doodkist, kwam tijdens een ernstige ziekte epidemie, waarbij veel mensen in korte tijd overleden. Nadat de vrachtauto geheel zwart was gemaakt, werd deze gebruikt als lijkauto. Bij vele begrafenissen heeft de vrachtauto dienst gedaan.

In beslag genomen

Het was een normale zaak dat iedere vrijdag de wagen werd ingericht voor het vervoer van veekooplieden naar de veemarkt in Zwolle. Er was, toen men daar mee begon, geen wet dat die dat verbood. Door de nieuwe wet op personenvervoer werd het wel verboden, maar toch ging men er mee door. 

Op een vrijdag ging Roelof Berends (die het rijden had geleerd van Herman Wichers) met zijn vader op weg naar Zwolle. Bij de Lichtmis aangekomen, stond daar een man die zijn hand op stak, Roelof stopte en vroeg wat er aan de hand was. "Kan ik mee naar Zwolle, ik kruip wel achter in de bak". " Nee dat kan niet, kom maar voor in zitten, er is nog wel plaats". Tijdens het rijden hoorde de man veel gepraat en geschreeuw achter in de bak. In Zwolle aangekomen, liet de man zijn legitimatiebewijs zien en de vrachtauto moest naar het politiebureau, alwaar hij in beslag werd genomen.
Dankzij de kennis en kunde van broer Arend was de wagen na een week weer terug in Dedemsvaart...
Er zijn natuurlijk veel meer verhalen, over de belevenissen van de rijdende DOODSKIST. Misschien komen we daar later nog eens op terug.

Wouter Berends

 

Reacties